De grootste mythen over de volgende miljard internetgebruikers

Een Keniaanse boer kijkt trots over zijn gewassen uit terwijl hij mobiel belt. Bengaalse vrouwen verdringen zich rondom een laptop, op zoek naar gezondheidsinformatie. Kinderen in een sloppenwijk gaan op in een educatief spelletje op een tablet. Het zijn typische mediabeelden die ons te binnen schieten bij nieuwe technologieën, die het leven in ontwikkelingslanden veranderen. De last van chronische armoede lijkt te worden verlicht door een mobiele telefoon of tablet.

Die beelden zijn zo vaak herhaald dat ze voor de media nauwelijks meer aantrekkelijk zijn. Dat is te danken aan de erfenis van rijke landen, denktanks en westerse multinationals, die investeren in nieuwe technologieën om mensen uit hun benarde levensomstandigheden te halen. Een mobiele telefoon moet armen helpen om een beter leven te krijgen – de ultieme zelfhulp-oplossing voor de mondiale ongelijkheid.

Maar wat decennia geleden als vermeend altruïsme begon, is nu een essentiële bedrijfsstrategie voor technologiebedrijven. De vele armen op de wereld hebben een nieuwe waarde gekregen. Ze zijn niet alleen consumenten geworden, maar in de digitale economie ook dataproducenten. En omdat data de ‘nieuwe olie’ heten en als onmisbaar voor toekomstige innovatie worden beschouwd, raken tech-bedrijven doordrongen van de potentie van deze enorme en relatief onontgonnen datagoudmijn.

India meeste WhatsApp-gebruikers

Vier van de tien mensen op de wereld zijn jonger dan 25 jaar en het merendeel woont niet in het Westen. De helft van de wereldbevolking heeft een laag inkomen en toch bekeerden deze 3,8 miljard mensen zich enthousiast tot de mobiele telefoon. China telt nu zo’n 800 miljoen internetgebruikers, tegen 300 miljoen in de Verenigde Staten. India heeft de meeste WhatsApp-gebruikers ter wereld. Van Zuid-Afrika tot Brazilië omarmen jongeren gretig mobiel internet, mede dankzij de toenemende betaalbaarheid van apparaten en databundels. Kortom, de volgende miljard internetgebruikers zijn meestal jong, hebben een laag inkomen, wonen niet in het Westen, en zijn hartstochtelijke gebruikers en vormgevers van internet.

Techbedrijven beconcurreren elkaar om aandacht en data. Maar weten deze organisaties wel wie deze gebruikers zijn, en welke wensen, ambities en drijfveren ze hebben om online te gaan en te blijven?

Op dit moment gaan technologische innovaties uit van krachtige en hardnekkige mythen over die gebruikers. Sterker nog, de data-regelgeving die uit westerse zorgen voortvloeit wordt een-op-een toegepast op deze nieuwe gebruikers, in de veronderstelling dat zij dezelfde zorgen hebben als hun rijkere en liberale tegenhangers. Om een andere koers in te slaan, moeten we eerst deze mythen doorprikken.

Mythe 1: de volgende miljard gebruikers worden gedreven door basisbehoeften

Voedsel, kleding, onderdak – dat moeten toch de redenen zijn dat de armen van de wereld online gaan? Ik werk al meer dan tien jaar als onderzoeker en contactpersoon voor hulporganisaties in India, Brazilië en de laatste jaren ook in Zuid-Afrika en Namibië. Ik behoorde tot de ‘goeddoeners’. Maar in de loop der jaren kwam ik een gebruikspatroon tegen dat niet helemaal overeenkwam met ons tech-evangelie.

Ja, boeren gebruikten hun mobiele data af en toe om de prijzen van gewassen na te gaan, vrouwen googelden de mogelijkheden tot geboortebeperking en kinderen leerden op tablets een paar woorden Engels. Maar mobiele data en schermtijd werden vooral besteed aan porno, romantiek, chatten en het downloaden van muziek, films en spelletjes. De armen van deze wereld blijken net zo te zijn als wij. Ze gaan niet uitzonderlijk gedisciplineerd, uitgesproken deugdzaam of productief met deze digitale middelen om. Ze willen wat wij willen – ontspanning.

Wel geven ze daar onevenredig meer aan uit dan wij. Zo gaat hun maandinkomen vooral naar hun databundels, zodat een jongen op Facebook eindelijk met een meisje kan chatten. Dit mag geen verrassing zijn. Veel van deze jonge mensen leven in oerconservatieve samenlevingen, waar gearrangeerde huwelijken de norm zijn. WhatsApp en Facebook fungeren als Tinder en Grindr in hun jacht op romantiek.

Met de hoge werkloosheid onder deze gebruikers of hun tergend eentonige werk wordt amusement een belangrijke motor om hun leven iets draaglijker, iets menswaardiger en iets boeiender te maken. Sommige telecombedrijven hadden al snel door dat ze deze consumenten het beste konden lokken met een gratis radio-app, zodat de jongeren non-stop naar muziek konden luisteren als ze vastzaten in het verkeer of in de rij stonden voor hun bijstandsrantsoen. In Namibië bijvoorbeeld, waar de jeugdwerkloosheid 45 procent bedraagt, kan grappen maken met anderen via WhatsApp een sombere bui verdrijven en iets van hoop bieden.

Illustratie: Jenna Arts

Concerns als het Indiase Reliance spannen zich in om het hart van deze consumenten te winnen. Hun nieuwste telecom-innovatie is Jio, dat 4G-netwerken aanbiedt met een aantal van de goedkoopste databundels ter wereld. Dit nieuwe tech-bedrijfsmodel berust in wezen op het ‘ABCD-principe’ – geënt op wat hun data uitwijzen: het meeste internetgebruik gaat over Astrologie, Bollywood, Cricket en Devotion, oftewel vroomheid.

Maar waarom voelen we ons nu ongemakkelijk als we ontspanning aan armoede koppelen? Waarom zouden die gebruikers zich meer op het nut van internet moeten richten dan wij? Want wíj hoeven ons niet te rechtvaardigen als we Netflix-series bingen of op Instagram zitten. Moet armoede ellendig zijn? Of moeten de armen van de wereld met ‘nuttig’ werk hun welzijn verdienen? Misschien staan ze wel naïef tegenover de mogelijkheden van deze nieuwe hulpmiddelen?

Maar nee, het zijn vaak slimme gebruikers die blootstaan aan onafgebroken marketing om deze ‘kostbare’ databundels te gebruiken voor het vinden van een baan of een goede school. Ook beseffen ze dat het niet zozeer gaat om het ‘gebrek aan informatie’ dat internet zou moeten terugdringen, als wel om hun gebrek aan de juiste netwerken of aan smeergeld om hun positie in het leven te veranderen. Internet opent de weg naar meer ambities, maar niet per se naar meer oplossingen. Intussen omarmen ze het op zoek naar liefde en een lach, iets wat geen sinecure is.

Mythe 2: Privacy zal centraal staan in de mondiale technologie van de toekomst

Is privacy de meest cruciale behoefte voor de overgrote meerderheid van de wereldbevolking, die voor haar eigen regeringen, de private sector en de wereldgemeenschap als geheel zo lang onzichtbaar is geweest?

Een miljard mensen leeft wereldwijd in een ‘sloppenwijk’ – vaak een onwettige vorm van huisvesting. Naarmate de verstedelijking toeneemt, zal hun aantal in 2030 naar verwachting verdubbelen. Hun onofficiële status is voor lokale overheden vaak een vrijbrief om de verantwoordelijkheid voor deze gemeenschappen van de hand te wijzen, waardoor hun onzichtbaarheid wordt versterkt.

Behalve de staat beschouwen ook bedrijven hen nog altijd als een riskante doelgroep die niet de moeite waard is.

Jonge mensen uit de sloppenwijken waren meestal enthousiast over Facebook-advertenties. Ze voelden zich bijzonder, erkend en gerespecteerd. Sommigen vonden het geweldig dat er advertenties op hen werden afgestemd van producten die hen konden interesseren. Gelet op hun beperkte databundel werd hun tijd online hierdoor ‘efficiënter’.

Als we kijken naar de opkomst van e-commerce in China en Latijns-Amerika, dan is er juist in deze sector een grote toename, omdat traditionele bedrijven deze gebruikers lang hebben verwaarloosd. Alibaba, de tech-gigant uit China, pionierde in nieuwe bedrijfsmodellen waarin mensen via hun online-reputatie online ‘vertrouwen’ konden opbouwen dat werd gekoppeld aan de toegang tot kleine leningen. Dit betekende een uitwisseling van persoonlijke informatie en de toegang tot krediet. Aangezien de meeste Chinese burgers vanwege het communistische verleden weinig bezitten, is dit een innovatieve manier om persoonlijke informatie te gebruiken voor sociale mobiliteit, zij het ten koste van een zekere mate van privacy.

Wereldburgers

Privacy is nu eenmaal een luxe. Internetgebruikers in lagelonenlanden wonen meestal in eenkamerwoningen samen met gezinsleden. Sommigen komen nooit verder dan hun woonplaats en worden in de gaten gehouden door buren, gezinsleden en vrienden. Vaak leven ze in een conservatieve samenleving waarin ze zich aan culturele regels moeten houden. Deze jongeren krijgen daardoor weinig ruimte om zichzelf te ontdekken. Los van dit alles hebben tieners een diepe behoefte om hun identiteit te ontwikkelen. Ondanks de grote risico’s voor hun privacy delen ze op Facebook vaak hun gedachten en dromen, waarmee ze zich zo zichtbaar mogelijk maken. Aangezien maar weinigen iets van de wereld kunnen zien, worden ze ‘wereldburgers’ door vrienden met onbekenden te worden. In het Westen maken onbekenden minder dan vier procent van de Facebook-vrienden uit, maar bij deze gebruikers kan dit wel tot tweederde oplopen.

Maar vergis u niet. Privacy is een intrinsieke menselijke behoefte. Er is alleen een grote kans dat privacy niet bovenaan hun agenda staat, omdat deze internetgebruikers juist gehoord en gezien willen worden en gewend zijn om ‘publiek’ te zijn. Vaak nemen ze grote privacyrisico’s, vooral omdat deze digitale werelden vergeleken met hun sociale leven veel meer vrijheid en nieuwe ervaringen bieden.

Als we horen dat een kind uit een sloppenwijk gaat gamen in plaats van wiskunde te leren, zijn we misschien teleurgesteld. Als we horen dat boeren hun mobiele data voor porno gebruiken, geldt misschien hetzelfde. Voor ons gevoel wordt internet als cruciaal hulpmiddel dan verspild. Maar dat zien we verkeerd. Zij hebben ook het recht om gewoon zoals wij te zijn, genot te zoeken en zichzelf iets gelukkiger te maken.

Toen internet door het Amerikaanse leger werd opgezet en vrijgegeven, ging men ervan uit dat deze techniek zou worden gebruikt voor informatieverspreiding en sociale controle. Efficiëntie stond in deze visie centraal. Tegenwoordig mogen we blij zijn dat internet een plek is geworden waar we kunnen werken en spelen, waar we verlangen, ambitie en plezier kunnen vergroten, ook al blijft het lastig om die ruimte respectabel en inclusief te houden. Als we echt een gezonde mondiale digitale cultuur willen hebben, moeten we deze niet-westerse gebruikers de-exotiseren. We moeten hen begrijpen en mogen hen niet vergeten als we inclusieve platforms ontwerpen. Het effect van de technologie dient tenslotte ons aller geluk.

 

Read More