Schaars

Het was te warm om de wereld nog te redden en dus lag ik met mijn zus en haar overbodig begaafde zoons (13 en 10) wat te lummelen in het park. De rest van de stad had ook besloten om de hitte op het gras uit te zitten en zo wisten we ons omringd door studentenverenigingen, bridgeteams, wegwerpbarbecues en tortelduiven. Alles was kortom dik voor mekaar en alsnog vond de oudste het opeens nodig om zijn mond open te trekken.

„Waarom”, begon hij, „is de mens eigenlijk altijd zo ongelukkig?”

„Gast”, zuchtte zijn broertje.

„Uitstekende vraag”, zei mijn zus monter. „De mens is ongelukkig omdat hij altijd meer wil dan hij al heeft.”

„Je bedoelt geld?”

„Onder meer, maar ik denk dat de moderne mens vooral lijdt onder een aandachtstekort.”

„Hoe kan er van aandacht nou te weinig zijn”, begon de jongste, „we kunnen de hele tijd aandacht aan elkaar geven. Het is bovendien gratis.”

„Dat iets gratis is, wil niet zeggen dat het overvloedig aanwezig is”, kaatste mijn zus terug. „Kijk maar eens naar je klas. Er is een x aantal leerlingen en toch is de aandacht niet eerlijk verdeeld. De knappe leerlingen worden eerder opgemerkt. En ook de grappigen, de lawaaiigen. De stillen en de onzekeren vallen buiten de boot.”

Mijn neefjes knikten verontrust. „En het tegenstrijdige is”, vervolgde ze opgewekt, „dat hoe meer mensen er zijn, hoe minder gelijkmatig de aandacht is verdeeld. Op een gegeven moment zal het in een klas wel opvallen wanneer bepaalde leerlingen echt helemaal in hun schulp kruipen, maar op de werkvloer, in grote families of op Tinder wordt de verhouding steeds schever. Het is de ogenschijnlijk paradoxale wet van de omgekeerde aandacht: hoe meer mensen, hoe meer er onopgemerkt blijven. Er is slechts een handjevol met miljoenen volgers op Insta, er zijn miljoenen op Insta met slechts een handjevol volgers. Dan klopt er iets toch echt niet.”

„Dus hoe meer mensen erbij komen”, zei mijn neefje na dat even te hebben verwerkt, „hoe meer er ongelukkig zijn omdat ze vaker over het hoofd kunnen worden gezien.”

„Precies. Het lijkt op het eerste oog gemoedelijk hoor, zo’n dichtbevolkte planeet, maar het is niet bevorderlijk voor de afzonderlijke onderdelen.”

Ze had een punt, maar dat punt stemde niet echt vrolijk. We keken om ons heen, er kwamen nog meer hangers bij in het park. Wat gezellig had moeten zijn kreeg door mijn zus’ betoog een geheel andere lading.

„Niemand ziet ons”, zei de oudste zacht. We huiverden in het late voorjaarsgras. Niemand die zich er iets van aantrok.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

Een versie van

dit artikel

verscheen ook in


NRC Handelsblad
van 20 juni 2019

 

Read More